Download Gratis uw Franchise startersgids

Hoe kan ik als Franchisegever voorkomen dat franchisenemers mijn concurrent worden?

Als Franchisegever kunt u uw franchisenemersnetwerk informeren over vele aspecten, waaronder bepaalde expertise, de franchiseformule, de markt en soms zelfs effectief cliënteel. Als de samenwerking met uw franchisenemer om wat voor reden dan ook op een gegeven moment ten einde komt, is het niet ondenkbaar dat deze in dezelfde branche wil blijven werken. Hij kent de sector, markt, product of dienst, doelgroep, etc. Dit zijn uiteraard praktische zaken om te beginnen en concurrent te worden van uw franchise.

Aangezien de algemene regel van het ondernemingsrecht “vrijheid van concurrentie” voorschrijft, blijft het voorkomen van concurrentie van uw franchisenemers een juridische evenwichtsoefening. Wat kunt u als Franchisegever doen om uzelf te beschermen? Meester Dirk Clarysse van Bright. specialist ter zake geeft je enkele tips:

Niet-concurrentiebeding

De meest voor de hand liggende bescherming is een niet-concurrentiebeding. Dit is een clausule die de franchisenemer verbiedt om gedurende een bepaalde periode concurrerend actief te zijn. Maar wees voorzichtig, want in ons economisch stelsel en in ons rechtssysteem is de algemene regel nog steeds de vrijheid van handel en nijverheid, en dus van concurrentie. Dat gaat al terug op een decreet van 1791, het Decreet d’Allarde. Als u die algemene regel dus wil beperken, moet dat aan bepaalde voorwaarden voldoen om afdwingbaar te zijn. Over het algemeen moeten niet-concurrentiebedingen beperkt blijven tot vooreerst gelijke, minstens soortgelijke, activiteiten, en voorts in de tijd en in de ruimte.

Tijdens welke periodes van de relatie met de franchisenemer kan het niet-concurrentiebeding gelden?

Niet-concurrentiebedingen mogen in feite niet langer duren dan nodig om te beschermen wat er beschermd moet worden. Dit geldt altijd zolang de samenwerking duurt. Hier zal er meestal geen discussie over bestaan. Discussies ontstaan meestal over het doorwerken nadat een bepaalde samenwerking is beëindigd.

Ten eerste moet de doorwerktijd in de clausule zelf staan. Tenzij specifiek voor bepaalde contracten zoals bijvoorbeeld handelsagentuur, bestaat er geen wettelijke regeling die dat dwingend bepaalt. De duur van een concurrentieverbod moet daarom worden overeengekomen en wordt meestal meteen ook verankerd in het contract.

Er bestaat geen eenduidige regel op de duur, omdat dit vooral afhangt van de sector en van de producten of diensten. Een stelregel is dat het concurrentieverbod niet langer mag duren dan de tijd die nodig is om het cliënteel (terug) aan u te binden, wat in grote mate afhangt van de recurrentie van het cliënteel. Stel bijvoorbeeld een bakkerijconcept. Een bakkerij ziet bij wijze van spreken dagelijks zijn klanten terug. Daar is de kans klein dat een clausule van drie jaar geaccepteerd zal worden. Daartegenover zal een autoconcessie dat makkelijker kunnen doen. In principe koopt men immers niet dagelijks of jaarlijks een nieuwe auto.

Kan een niet-concurrentiebeding afgedwongen worden in heel Europa?

Ook dit is afhankelijk van de precieze samenwerking, de markt en de producten of diensten. Waar zijn de activiteiten gecentraliseerd? Waar is of was de franchisenemer actief? Hoe ruim is het territorium van de franchisegever? Ook daar weer is de regel dat de beperking niet verder mag reiken dan nodig om de franchisegever te beschermen.

Gaat het om louter lokaal of regionaal gegeven, of om heel België? Dan kunt u geen concurrentieverbod opleggen voor heel Europa. Gaat het om een (veel) ruimer concept, dat zowel in België, Nederland, Duitsland, Frankrijk enzovoort actief is, of heel Europa, dan is dat een heel ander verhaal. Dan kan de uitwerking in principe wel veel verder gaan, en mogelijks wel op heel Europa betrekking hebben.

Wanneer kunt u een niet-concurrentie inroepen nadat een franchiseovereenkomst is afgelopen?

Dat hangt volledig af van de geldigheid van het betreffende beding. De clausule moet volledig rekening houden met de markt en de producten of diensten, het moet voldoende beperkt zijn in tijd en ruimte en de verboden activiteiten adequaat omschrijven.

Als een rechter oordeelt dat dit niet het geval is, dan gold vroeger dat het gehele beding geen uitwerking had. Het beding werd nietig verklaard en de medecontractant was volledig vrij (cfr. de algemene regel van vrijheid van concurrentie). Dit kan nu echter ook contractueel worden ingedekt. Sinds twee cassatiearresten in 2015 wordt aanvaard dat een niet-concurrentiebeding dat bovenmatig wordt geacht door een rechter herleid kan worden, mits die mogelijkheid van herleiding evenwel contractueel is voorzien. Een gouden tip dus: voorzie dit uitdrukkelijk in uw contracten. Niet alleen voor niet-concurrentiebedingen trouwens, maar in het algemeen voor alle bedingen van uw contract.

Geheimhoudingsbeding

Een ander belangrijk aspect is een geheimhoudingsbeding. Zeker als een contractpartner kennis krijgt van gevoelige informatie over de producten of diensten, over prijzen, over bepaalde (verkoop en/of marketing) formules of misschien zelfs intellectuele eigendomsrechten, kan dat een heel punt zijn. Het is daarom sterk aangeraden een specifieke afspraak daarover op te nemen in de franchisecontracten, alsook in veel andere vormen van samenwerking. Dergelijk beding kan een (voormalige) medecontractant sanctioneren wanneer deze bedrijfsgevoelige informatie zelf gaat gebruiken, misbruiken of aan derden doorspelen.

Afwervingsbeding

Waar een niet-concurrentiebeding meer algemeen is, is een afwervingsbeding concreet. Het is specifiek gericht op de bescherming van het bestaande cliënteel of het bestaande netwerk van contacten. Ook voor personeel is dat mogelijk, opdat men gedurende een bepaalde periode geen personeel of zelfstandige medecontracten mag afwerven. Uiteraard zijn evenwel ook aan dergelijk beding bepaalde voorwaarden gekoppeld. Ook daar is de algemene regel immers vrijheid: vrijheid van concurrentie en vrijheid van arbeid.

Hoe beschermt een afwervingsbeding meer dan een niet-concurrentiebeding?

Met een afwervingsbeding kunt u specifieker zijn. Een niet-concurrentiebeding is altijd algemeen en meestal abstract geformuleerd. Het beschermt een bepaalde markt zonder daar specifieke namen aan te koppelen. Een afwervingsbeding kan specifieker gekoppeld worden aan bijvoorbeeld het bestaande cliënteel. Dit cliënteel kan worden opgelijst en met naam en toenaam worden aangeduid, en mag vervolgens niet benaderd of bediend worden vanuit een nieuwe of concurrerende activiteit.

Met deze drie bedingen kunt u uzelf dus beschermen en het overstappen van een franchisenemer naar de concurrentie ontmoedigen. Maar wat zijn de gevolgen van deze clausules? Wat gebeurt er in het geval van een inbreuk? Ook op deze vragen geeft Meester Dirk Clarysse ons een antwoord.

Wat zijn de mogelijke gevolgen in geval van inbreuk?

Als een concurrentieverbod of een afwervingsverbod niet wordt nagekomen, wordt er van schade of potentiële schade gesproken, en is het gevolg dus schadevergoeding. In principe moet de schade bewezen worden door de partij die beweert ze te lijden. Dit is evenwel niet altijd evident. Daarom worden bij niet-concurrentiebedingen (evenals bij afwervings- en geheimhoudingsbedingen) veelal forfaitaire vergoedingen per inbreuk bepaald.

Over wat precies mag en kan, en hoe ver of hoog men daarin kan gaan, bestaan er ook weer geen vaste regels. Ook hier zal men dus enige redelijkheid aan de dag moeten leggen. Wat exact redelijk is, zal dan moeten worden afgetoetst aan de specifieke sector, aan de omzetbedragen en aan de mogelijke impact voor de franchisenemer. Als het om producten of diensten gaat met grote marges, zal een hogere vergoeding meer verdedigbaar zijn dan in een sector met zeer lage marges.

In ieder geval, hier kan een rechtbank in principe matigend optreden als een bepaalde contractuele vergoeding haar te hoog lijkt (art. 1231 OBW).

Wat gebeurt er in het geval van een inbreuk?

De eerste stap is meestal dat de Franchisegever op basis van een ingebrekestelling de voormalige medecontractant aanspreekt. U moet ervoor zorgen dat dit op dit moment al onderbouwd is en dat u over concrete stukken of bewijzen beschikt, omdat diegene die zich er op beroept de bewijslast draagt.

Als deze ingebrekestelling nergens toe leidt, komt er meestal een procedure of arbitrage aan, afhankelijk van wat in het contract is voorzien of wat er in geval van een dispuut wordt overeengekomen.

Praktisch advies aan Franchisegevers en Masters

Ten slotte geeft Dirk Clarysse u nog het volgende praktisch advies mee: “Zorg voor goede contracten. Dit is iets dat nog heel vaak wordt vergeten, of is iets waar te weinig bij wordt stilgestaan. Consulteer een advocaat of een jurist niet pas wanneer het in een samenwerking of contract dreigt mis te lopen; contacteer hem of haar reeds bij het opstarten van de samenwerking en het opstellen van het contract. Voor veel mogelijke conflictsituaties kan contractueel een uitkomst, of minstens al een bepaald kader worden voorzien.

Door proactief te handelen, en een advocaat of een jurist al in te schakelen bij de contractredactie, kunt u uzelf veel sterker maken. Zo komt het in meeste gevallen zelfs nooit tot een procedure. Tijd gespaard, kosten gespaard. Iedereen beter dus!”


Reageren


250 formules

Matchen

Passende selectie

Persoonlijk

Direct contact

Gratis